Will Webb - Name of the train *****
Begin
september
vorig
jaar werd de uit Chester, Pennsylvania afkomstige, maar vandaag de dag in
Nashville verblijvende, singer-songwriter Will Webb
vijftig. En dat is nu niet meteen een leeftijd waarop je van iemand nog een
debuutalbum verwacht. Toch is het precies dat, wat we met “Name Of The Train”
voorgeschoteld krijgen: het debuut van een man die zijn leven tot op heden
grotendeels in het teken van het schrijven van poëzie en liedjes stelde.
Zo schreef hij ondermeer al songs die op platen van George Jones
(“Angels Don’t Fly”), James Prosser en Matthew Ryan (“Disappointed”) belandden.
Pas nadat flink wat in de muziekbizz werkende vrienden van Webb hem daartoe
hadden aangespoord, zou Will Webb uiteindelijk ook zelf tot het opnemen van zijn
materiaal overgaan.
Daarbij mocht hij ondermeer rekenen
op de steun van de hier al lang niet meer als onbekende door het leven stappende
Jeff Finlin achter de drums, van gitarist Kenny Vaughn en van backing-vocaliste
Carmella Ramsey, om er maar enkelen te noemen. “Name Of The Train” groeide in
hun bijzijn uit tot een erg fraaie plaat, waarop treinen als vanzelfsprekend een
centrale thematische rol spelen. Will Webb klinkt daarbij voortdurend als een
Americana-uitvoering van de man die hem op zijn veertiende bekeerde tot het
schrijven van gedichten (en later ook liedjes): Bob Dylan. De gelijkenis tussen
beider stemmen is werkelijk frappant. En dat maakt van dit album voor Webb
eigenlijk een beetje een tricky aangelegenheid. Velen zullen zich immers
geroepen voelen om ze te beluisteren als een album van de grootmeester zelf. En
dan moet je al van zeer goeden huize zijn om de verwachtingen ook effectief te
kunnen inlossen. Maar dat lukt Webb daadwerkelijk. Van de gedreven blues van
openingsnummer “Gospel Train Blues” tot het akoestische folkdeuntje “Goodnight
Annie Hall” helemaal aan het einde van de cd slaagt Webb erin ons voortdurend
bij de les te houden. “Wicked Wind” onthield ik bijvoorbeeld als een erg knappe
op Byrds-gitaartjes geënte ballade. “Wheels Up” biedt dan weer een over een leuk
orgeltje gedrapeerde, eerder berustende kijk op de liefde:
“Yeah she’s wheels up in the clouds above
Two miles high she’s flyin’
And I’m real stuck and I’ve had enough
Of lovin’ losin’ livin’ and dyin’,”
klinkt het. Eén van de absolute highlights is het (vooral door het gebruik van een penny whistle) erg sixties aandoende “Ballad Of A Diamond Street Vendor”. Het klassieke verhaal van een amoureuze botsing tussen arm en rijk met een al even klassieke afloop:
“They whisper of murder of someone laid low
A Diamond Street vendor name Ruby Joe.”
Waarbij de schuldigen bijna als vanzelfsprekend hun gerechte straf ontlopen. Ronduit briljant is verder ook het ingetogen, bluesy aandoende “Drivin’ Willie”, waarbij ik onwillekeurig aan Greg Brown moest denken – een heel sereen liedje over een ondertussen overleden medemens met een passie voor rijden met de wagen. En dan zijn er ook nog het rootsy huwelijksaanzoek “Bonnie June” (waarin erg functioneel gebruik wordt gemaakt van zowel de banjo als de mondharmonica), de country rock van “Decker’s Blues”, de onvervalste country van “Pastures Of Plenty (Chapter II) en de naar John Prine neigende Americana van “Phantom Train”. En tenslotte nog één pluim erbij op Webbs hoed voor “Little Miss Born To Lose”, een fraaie country story song die hij samen met producer Wade Curtis schreef, waarin een ontmoeting met de wilde stoot uit de titel met een sisser afloopt. Te situeren ergens tussen de hier al eerder opgesomde namen van John Prine, Bob Dylan en die van Guy Clark. Het lijkt dus wel duidelijk, dat we hier mogen spreken van een album, dat zeker niet alleen voor Dylan-liefhebbers verplichte kost is. En van ééntje dat hopelijk snel navolging zal krijgen… Want naar meer smaken doet het!
30 juli 2004
Terug naar Hoofdindex