Steve Earle
Steve Earle werd op 17 januari
1955 geboren in Fort Monroe, Virginia. Tijdens zijn jeugd leerde hij gitaar
spelen.
Op zestienjarige leeftijd liep hij weg van huis en ging zwerven.
Twee jaar later vestigde hij zich in Houston waar hij artiesten als Townes Van
Zandt en Jerry Jeff Walker leerde kennen. Jerry Jeff Walker werd zijn grote
voorbeeld. Earle trok naar Nashville waar hij overdag met diverse baantjes in
zijn onderhoud voorzag en 's avonds als bassist speelde in Guy Clark's
begeleidingsband.
Hij bleef een aantal jaren in Nashville, een tijd waarin artiesten als Patty
Loveless en Johnny Lee door hem geschreven songs opnamen. Daarna verhuisde hij
terug naar Texas waar hij zijn begeleidingsband de Dukes formeerde. Na een
verblijf in Texas van ongeveer een jaar keerde hij weer terug naar Nashville.
Zijn carrière als songwriter kwam nu goed van de grond, maar Earle wilde ook
graag een solocarrière starten.
In 1982 nam hij de EP "Pink and Black" op, die veel bijval kreeg en hem een
contract met Epic Records opleverde. Epic Records wilde dat Earle commerciëler
materiaal zou opnemen, maar deze weigerde en het contract tussen hen werd in
1984 verbroken. Een contract met MCA wachtte hem en het debuutalbum "Guitar
Town" verscheen in 1986. Door critici werd hij enerzijds ingedeeld bij
countryartiesten als Randy Travis en Dwight Yoakam, anderzijds bij rockartiesten
als Bruce Springsteen en John Mellencamp.
"Guitar Man" werd een enorm succes en hierdoor haastte Epic Records zich om het
compilatiealbum "The Early Years" uit te brengen.
Earle's formele tweede album "Exit O" kwam uit in 1987. Dit werd eveneens zeer
goed ontvangen en begeleidingsband de Dukes kregen veel lof toegezwaaid door
critici. Muzikaal ging het goed, maar privé heel slecht. Earle verviel weer in
zijn drugverslaving, nadat hij enkele jaren clean was geweest, en was inmiddels
aan zijn zesde huwelijk toe.
Het album "Copperhead Road" uit 1988 bracht ook een doorbraak in Europa,
waarschijnlijk door de medewerking van de Ierse punk-folk groep de Pogues.
Op het persoonlijke vlak ging het alsmaar minder en het album "The Hard Way" uit
1990 gaf dan ook zijn problemen uit die tijd weer. Door critici werd "The Hard
Way" goed ontvangen, maar het verkocht slecht.
In 1990 nam Earle een album op dat MCA weigerde uit te geven en in plaats
daarvan brachten ze het live-album "Shut Up and Die Like an Aviator" uit. MCA
verbrak het contract in 1991.
Earle's persoonlijke verval zette zich nog verder voort; cocaïne en heroïne
verslaafd en vaak in aanraking met justitie, totdat hij in 1994 werd
gearresteerd wegens heroïnebezit. Hij volgde een succesvolle ontwenningskuur en
in 1995 kwam het akoestische album "Train A Comin'" uit. Dit album werd door
critici slecht ontvangen, maar verkocht heel goed. Met "I Feel Allright" uit
1996 kreeg hij ook weer een goede ontvangst door de critici en prachtige albums
als "The Mountain" (1999) en "Transcedental Blues" (2000) volgden.