R.L. Burnside (USA)

(23.11.26)

Boer en visser uit het noorden van Mississippi die met zijn onafscheidelijke elektrische gitaar al sinds de jaren '50 een vertegenwoordiger is van de Deltablues, maar pas sinds het begin van de jaren '90 echt op de voorgrond is getreden. Zijn vader was eveneens een bluesgitarist, maar hij leert de rauwe, zeer ritmische blues vooral van de legendarische 'Mississippi' Fred McDowell. Burnside speelt in de jaren '50 vooral in de typische jukejoints en op familiefeesten en voert naast Deltablues ook eigen versies van nummers van grootheden als John Lee Hooker, Muddy Waters en Elmore James uit. Zijn muziek blijft echter steeds op de tweede plaats komen, als tijdverdrijf na de werkuren op zijn boerderijtje. In 1967 neemt George Mitchell als eerste werk op van Burnside, maar buiten enkele sporadische registraties zou het tot 1980 duren voor er opnieuw werk van de zanger/gitarist verschijnt. 'Sound Machine Groove' is een haast onvindbaar album, waarop Burnside begeleid wordt door The Sound Machine, een groepje dat bestaat uit zijn zonen en schoonzoon. Wanneer hij op het einde van de jaren '80 echter onverwachts gevraagd wordt op enkele Europese bluesfestivals ontstaat er in de muziekwereld een groeiende interesse voor de man. Burnside tekent een contract voor Fat Possum Records waar in 1993 zijn eerste echte studioalbum verschijnt, een jaar later gevolgd door 'Too Bad Jim'. De zuivere, monotone en energieke Deltablues van Burnside slaat ook bij de jongere generatie rockartiesten aan, waaronder The Jon Spencer Blues Explosion. Het is met deze groep dat R.L. Burnside in 1996 het zeer geslaagde 'A Ass Pocket o'Whiskey' opneemt en vervolgens op tournee vertrekt. Twee jaar later bewijst de bluesman opnieuw dat zijn bonkend ritmische gitaarmuziek uitstekend kan samengaan met moderne muziekvormen, wanneer hij met producer Tom Rothrock (onder andere Beck, Elliott Murphy en Foo Fighters) en Alec Empire van Atari Teenage Riot 'Come on In' opneemt.