John Hiatt

Amerikaanse singer/songwriter in de huid van een rocker, wiens carričre er een is van vallen en opstaan. Hoewel kenners zijn talenten als zanger en componist hoog aanslaan, wil hij maar niet doorbreken, al scoren collega-artiesten geregeld hits met nummers van zijn hand. Geboren en getogen in Indianapolis, vestigt Hiatt zich als achttienjarige in Nashville, waar hij de kost verdient als broodcomponist en in zijn vrije tijd musiceert in de band White Duck, waarmee hij "IN SEASON" maakt. Three Dog Night scoort in '74 een Amerikaanse Top 20-hit met Sure As I'm Sittin' Here, dat terug te vinden is op het net als "OVERCOATS" richtingloze "HANGIN' ROUND THE OBSERVATORY". In de tweede helft van de jaren zeventig werkt Hiatt solo in het folkclubcircuit, waarna hij zich in Los Angeles vestigt. Hij weet in Europa een zekere reputatie te verwerven met "SLUG LINE", een vlijmscherpe plaat in een new wave-achtige vormgeving met opvallende teksten, die nogal wat vergelijkingen met Elvis Costello oproept. "TWO BIT MONSTERS" klinkt aanmerkelijk gepolijster wat de instrumentatie betreft en blijkt pas zijn rendement op te brengen als Hiatts oude vriend Rodney Crowell er repertoire uit put voor zijn in country-kringen populaire echtgenote Rosanne Cash. Vervolgens komt hij via via in contact met Ry Cooder, die op zoek is naar materiaal voor een nieuw album. Uiteindelijk begeleiden hij en zijn podiumgroep hem zelfs op een Europese tournee. Niemand minder dan Tony Visconti wordt ingehuurd als producer voor "ALL OF A SUDDEN", maar artistiek gezien loopt de samenwerking op een fiasco uit. Meer in zijn element klinkt Hiatt op "RIDING WITH THE KING", waarvan de ene helft is opgenomen met Scott Matthews en Ron Nagle en de andere met de groep van de Engelse pub-rocker Nick Lowe. Moderne rhythm & blues met country & western-elementen maken van "RIDING WITH THE KING" Hiatts beste werkstuk tot dan toe, ook al doordat de muziek verschoond is van elke modieuze toets. In de hoop dat het verkoopbevorderend werkt, wordt Hiatt voor "WARMING UP TO THE ICE AGE" gekoppeld aan producer Norbert Putnam met als resultaat een als geheel toch coherent te noemen mengeling van rock, funk en rhythm & blues, waaronder de met Elvis Costello gezongen oude Spinners-hit Living A Little, Laughing A Little. Commercieel succes blijft echter opnieuw uit, zodat Hiatt gedesillusioneerd het folkclubcircuit weer opzoekt, als vanouds opererend vanuit Nashville. Het met Ry Cooder, Jim Keltner en Nick Lowe vervolgens in vier dagen en merendeels live opgenomen "BRING THE FAMILY" laat Hiatt op zijn best horen, onder meer dank zij de even functionele als sfeervolle begeleiding die hem als zanger onmiskenbaar heeft geďnspireerd, terwijl de sterk autobiografische teksten de emotionele geladenheid nog versterken. Afgekickt van drugs en alcohol, de zelfmoord van zijn eerste vrouw verwerkt en gelukkig hertrouwd klinkt hij gelouterd en hoopvol. Ook de Amerikaanse vakpers onderkent de hoge kwaliteit van "BRING THE FAMILY" en bezorgt hem in zijn vaderland eindelijk een zekere erkenning. Voor "SLOW TURNING" maakt hij gebruik van zijn nieuwe podiumgroep The Goners onder aanvoering van de uit de cajun- en zydeco-hoek afkomstige slidegitarist Sonny Landreth. Stilistisch is de plaat een kruising van "RIDING WITH THE KING" en "BRING THE FAMILY" en mede door de inbreng van producer Glyn Johns en gastgitarist Bernie Leadon vallen er onmiskenbare countryrock-invloeden te bespeuren. Inmiddels is Hiatt vanwege "SLOW TURNING" door de critici van het gezaghebbende Amerikaanse blad Rolling Stone uitgeroepen tot zanger en componist van het jaar. In die laatste hoedanigheid boert hij steeds beter dank zij uitvoeringen van allerlei moderne country-artiesten, maar nadat Jeff Healey en Bonnie Raitt hits hebben weten te scoren met nummers van zijn hand, zetten ook zulke uiteenlopende collega's als Iggy Pop en Paula Abdul werk van hem op de plaat. De wegen van Hiatt en The Goners scheiden zich, waarna het drietal met toevoeging van een toetsenist verder gaat onder leiding van Landreth, die de draad van zijn eigen carričre weer oppakt met het uitstekende "OUTWARD BOUND". Ook op de iets minder verrassende opvolger "SOUTH OF 1-10" vermengt hij blues, rock en zydeco tot een afgewogen geheel dat de broeierige en mystieke sfeer van New Orleans en omstreken perfect verklankt. Met Johns andermaal als producer en begeleid door sessiemuzikanten maakt Hiatt het evenwichtige "STOLEN MOMENTS", een tamelijk stevig en toch doordacht gearrangeerd album, waarop hij in verhalende vorm zijn onsentimentele gedachten laat gaan over zijn vroegste jeugd, zijn donkere jaren en zijn gezinsleven van dat moment. Vervolgens wordt zijn solocarričre tijdelijk stilgelegd ten behoeve van Little Village, een gelegenheidsgroep bestaande uit de muzikanten van "BRING THE FAMILY". Hoewel Hiatt als voorman fungeert, werkt de groep compositorisch als een democratische viereenheid, maar "LITTLE VILLAGE" blijkt lager uit te vallen dan de som der delen. Via zijn stiefzoon is hij inmiddels onder de indruk geraakt van Faith No More, wier producer Matt Wallace hij daarom inhuurt voor "PERFECTLY GOOD GUITAR", waarop hij zich laat begeleiden door een jong trio onder wie School Of Fish-gitarist Michael Ward. Na de autobiografische trilogie "BRING THE FAMILY", "SLOW TURNING" en "STOLEN MOMENTS" klinkt het begeesterde resultaat als een nieuw begin, dat bovendien betrekkelijk modern aandoet, zij het dat zijn onmiskenbare stijl volledig intact is gebleven. Tijdens het laatste deel van een uitgebreide wereldtournee worden voorjaar '94 opnamen gemaakt voor "HIATT COMES ALIVE AT BUDOKAN?", waarop vooral nummers uit "BRING THE FAMILY" tot en met "STOLEN MOMENTS" staan, maar desondanks doet dit mede uit contractuele verplichtingen uitgebrachte album tamelijk overbodig aan. Hiatt heeft inmiddels bij een andere maatschappij getekend, die hem eindelijk in de vaart der volkeren denkt op te kunnen stoten. Met aan zijn zijde gitarist David Immerglück uit Camper Van Beethoven levert hij met "WALK ON" wederom een uitmuntend en bovendien toegankelijk album af, dat overwegend donker van toon is. De verhalende teksten worden bevolkt door eenzame personages die zich door het noodlot gedreven weten, al staan daarnaast ook enkele vredige liefdesliedjes. Commercieel gezien stelt "WALK ON" danig teleur, al lijkt Hiatt daardoor niet ontgoocheld, getuige van het onmiskenbaar speelplezier doortrokken "LITTLE HEAD", waarop hij voor het eerst in zijn carričre zonder producer van buitenaf werkt. De luchtige rockers met niet zelden een seksuele ondertoon komen echter nogal niemendallerig over, waarmee hij voor het eerst in op de kop af tien jaar niet aan de verwachtingen weet te voldoen. "LOVE GETS STRANGE/THE SONGS OF JOHN HIATT" is een met kennis samengestelde selectie uit Hiatts talrijke composities, zoals die in de loop der jaren door o.a. The Neville Brothers, Jeff Healey, Nick Lowe en Emmylou Harris op de plaat zijn gezet.

Terug naar Hoofdindex