David Bowie

 

Toonaangevende Britse muzikale kameleon die decennialang zijn stempel op de popmuziek weet te drukken en die zijn voorliefde voor avant-garde voor een groot publiek toegankelijk houdt.
David Jones groeit op in Bromley, een voorstad van Londen, leert saxofoon spelen en treedt op met verschillende schoolgroepjes. Na zijn schooltijd besluit hij verder het muziekpad te bewandelen en richt hij de groep The King Bees op, later gevolgd door The Manish Boys en Davey Jones and the Lower Third. In 1966 verandert hij zijn naam in David Bowie om niet verward te worden met Davy Jones van de op dat ogenblik wereldberoemde groep The Monkees.
Na enkele weinig succesvolle mod-singles brengt Bowie in 1967 zijn titelloze debuut uit dat haast volledig in music-hall stijl is opgenomen. Na de release van de plaat verblijft de zanger achtereenvolgens in een Schots boeddhistisch klooster, sluit hij zich aan bij een mimegroep en richt hij in 1969 de experimentele kunstgroep Beckenham Arts Lab op. Om deze kunstgroep te financieren, tekent hij een platencontract met Mercury Records dat datzelfde jaar nog het album 'Man of Words, Man of Music' uitbrengt. Deze plaat bevat het nummer 'Space Oddity', dat plots een gigantische hit wordt omdat het door de BBC wordt gebruikt voor de reportage van de eerste maanlanding.
De volgende jaren neemt hij de uitstekende langspelers 'The Man Who Sold the World' en 'Hunky Dory' op die uitstekend verkopen dankzij het steeds extravaganter wordende imago van Bowie. Hij begint zijn beroemde alter ego Ziggy Stardust te ontwikkelen, een androgyne rockster van een andere planeet, en neemt in 1972 het meesterwerk 'The Rise & Fall of Ziggy Stardust and the Spiders from Mars' op.
Deze plaat en de daaropvolgende tournee maken van David Bowie de belangrijkste glamrocker en vestigen definitief zijn naam in de VS Een jaar later komt hij op de proppen met een nieuw album en een nieuw alter ego: 'Aladdin Sane', maar hij produceert ook Lou Reeds ' Transformer', 'Raw Power' van The Stooges' en 'All the Young Dudes' van Mott the Hoople, waarvoor hij ook het titelnummer schrijft.
Na de Amerikaanse tournee ter ondersteuning van 'Diamond Dogs' vestigt Bowie zich in 1974 in Los Angeles waar hij de soulplaat 'Young Americans' opneemt waarvan de single 'Fame', een duet met John Lennon, zijn eerste Amerikaanse nummer 1-hit wordt. Vervolgens kruipt hij voor 'Station to Station' in de huid van de Thin White Duke, een personage waarmee Bowie voor controverse zorgt, zeker wanneer hij bij zijn terugkomst in Londen het wachtende publiek vergast op de Nazi-groet.
David Bowie beseft meteen dat zijn jarenlange cocaÔneverslaving een zware tol begint te eisen en vestigt zich in Berlijn waar hij stilaan weer tot rust komt. Hier leert hij de Duitse elektronische muziek kennen dankzij Brian Eno met wie hij vanaf 1977 zijn zogenaamde Berlijnse trilogie opneemt, bestaande uit 'Low', 'Heroes' en 'Lodger' die door de mengeling van avant-garde, elektronica en pop van grote betekenis zouden zijn in de verdere ontwikkeling van de rockmuziek.
Nadat hij in 1980 met 'Scary Monsters... And Super Creeps' zijn laatste album voor RCA uitbrengt, wil Bowie zich toeleggen op zijn acteercarriŤre. In 1976 en 1977 is hij al te zien in 'The Man Who Fell to Earth' en 'Just a Gigolo', maar in het begin van de jaren '80 speelt hij zijn beste rollen in 'The Hunger' van Tony Scott en 'Merry Christmas, Mr. Lawrence' van Nagisa Oshima.
In 1983 tekent hij echter een zeer lucratief platencontract met EMI America en brengt hij het stijlvol gepolijste album 'Let's Dance' uit waarvan het titelnummer binnen de kortste keren zowat overal ter wereld op de eerste plaats van de hitlijsten terechtkomt. Het succes is echter van korte duur want de volgende albums zijn inspiratieloze commerciŽle flops. Bowie valt in die periode vooral op door zijn jetsetleven, maar in 1989 verbaast hij vriend en vijand met zijn nieuwe project Tin Machine. Samen met gitarist Reeves Gabrels, bassist Tony Sales en drummer Hunt Sales omarmt hij de ruige rock van Sonic Youth. Het project wordt echter zwaar onderschat en Bowie gaat vanaf 1993 weer het solopad op met het soulvolle 'Black Tie, White Noise'.
Zijn groeiende interesse voor industriŽle rock en elektronica resulteert in 1995 in het bevreemdende 'Outside', een met Brian Eno opgenomen conceptalbum dat het eerste deel moet vormen van een muzikale futuristische misdaadroman. Het album wordt door verschillende critici de hemel in geprezen, maar het jonge publiek blijkt niet geÔnteresseerd in Bowie, terwijl oudere fans de nieuwe Bowie dan weer te modern vinden.
Toch gaat de zanger verder de moderne toer op met het geslaagde 'Earthling', een langspeler vol drum&bass elementen. Bowie trekt terug op tournee en verrast het publiek door weer nummers uit de jaren '60 en '70 te spelen. Nadien blijft het in muzikaal opzicht vrij stil rond Bowie die, na een uitstekende rol in de film 'Basquiat', zich steeds meer met zijn schilderwerk en met multimedia bezighoudt, tot hij in de zomer van 1999 aankondigt dat hij in oktober 'hours', zijn nieuwe plaat, wil uitbrengen. In 2000 verschijnt de live verzamelaar 'Bowie at the Beeb'. Wanneer door een foute persing twee maal dezelfde versie van 'Ziggy Stardust' op het album komt te staan, biedt Bowie de ontbrekende versie aan de eigenaars van de cd aan via internet. In zijn vrije tijd experimenteert Bowie met moderne kunst.